De kunst van het luisteren

Ze staat in een lichte ruimte met witte muren. Op de houten vloer ligt een fel rood en vierkant tapijt, en daar staat zij op, met een zwangere buik omsloten door een donkerblauwe, fluwelen jurk. Achter haar wordt een soldaat op de muur geprojecteerd, en hij staat in dezelfde houding als zij, met de benen stevig op de grond en de handen op een geweer. Hij mikt op iets. Maar zij heeft geen geweer, en hij verwacht geen kind. Ze komen samen in een dans van houdingen, die ze van een soldaat zittend naast een houtvuur naar de vaandeldrager aan de frontlinie brengt, met de rook van explosies als omlijsting. We horen dat de mannen in de lijn van de vader van haar ongeboren kind allemaal een fascinatie voor oorlog hebben, soms zelfs meegevochten hebben, en elk van hen speelgoed heeft gekregen dat symbool stond voor strijd. Ze vraagt zich af of haar zoon deze drang ook zal hebben. Als de scène afgerond wordt, komen er vragen van het publiek. Je probeert dus de geschiedenis te veranderen, vraagt iemand. Vrouwen zijn als moeders eigenlijk ook verantwoordelijk voor het doorgeven van dat stereotype, toch, probeert een ander.

Afgelopen november vond de tweede editie plaats van What You See Festival in Utrecht, een kunstenfestival met een nadruk op theater en dans dat zich richt op gender en identiteit. Op één dag konden we een symposium bijwonen met inspirerende sprekers en even inspirerende gesprekken om vervolgens naar een dansvoorstelling te kijken die alle conventies op scherp zet (Graces van Silvia Gribaudi in Theater Kikker). Het festival toont veel verhalen van mensen die zich net even buiten het comfortabele hokje bevinden dat bestaat voor witte, heteroseksuele cis-mannen, maar maakt ook af en toe juist die witte, heteroseksuele cis-man tot onderwerp. Zo vroeg theatermaker Franziska Menge zich in haar hier boven beschreven onderzoek af waar de fascinatie voor de soldaat toch vandaan komt, die soldaat die zo vaak ook wit, heteroseksueel, cis en man is. Tegelijk heb ik echter ook de vraag waar juist die man toch is tijdens dit festival. Ik heb zelf veel mensen gesproken, maar zonder dat ik de vraag stelde of iemand zijn/haar/hun hokje even aan mij kan uitleggen (want stel je voor) heb ik toch het vermoeden dat er geen tot weinig witte, heteroseksuele cis-mannen aanwezig waren. (Hoewel, ik heb er toch één gesproken. Was hij dé man? Heb ik hém gesproken?) Hij schittert door afwezigheid, maar is hij eigenlijk wel onderdeel van de doelgroep van dit festival? Enerzijds zou je denken van wel, want gender en identiteit gaan over iedereen. En zeker de mensen die minder gemakkelijk deelnemen aan een gesprek zou je graag uitnodigen. Anderzijds ontstaat er wel een mooi en complex gesprek binnen een community. Er is een zogeheten safe space zonder de andere partij, waar gretig gebruik van wordt gemaakt.

Laat ik me richten op twee onderdelen van het festival waar het gesprek en de vraag centraal staan: het symposium en de middag die Research genoemd werd. Tijdens het symposium, gemodereerd door model, columniste en dj Valentijn de Hingh, toonden beeldend kunstenaars, theatermakers, filmregisseurs en schrijvers korte fragmenten en beelden van werk dat al af was en werk dat nog gemaakt moest worden. Na afloop van elke korte presentatie ging Valentijn in gesprek met de kunstenaars, en ook met een derde persoon die vanuit zijn/haar/hun expertise reageerde op wat we gezien hadden. Zo hoorden we bioloog en schrijver Mariken Heitman in het symposium een paar fragmenten voorlezen uit haar debuut De Wateraap. In dit werk zoekt een biologiestudente naar een missing link tussen aap en mens, en tegelijk zoekt ze, anders als ze zich voelt, naar verwantschap en een vorm voor haar identiteit. In de voorgelezen fragmenten hoorden we verschillende vormen van het presenteren van jezelf aan de wereld. Zo schreef Mariken dat de rode lippenstift die veel vrouwen dragen een middel is om onbewust seksuele gewilligheid uit te dragen. Rode lippen zijn goed doorbloede lippen, en dat gebeurt kennelijk bij een orgasme. Ironisch is trouwens dat als je hier online meer over wilt lezen, je eerst door artikelen als “Waarom hij jou mooi vindt met rode lippen” en “Rood is confident” heen moet spitten. Mariken las vervolgens nog uit haar tweede, nog af te ronden werk, waarin ze zich meer bezig houdt met het fenomeen schaamte. En dan voornamelijk dat we anderen een hokje in “shamen”. Mensen hebben immers uiteenlopende kwaliteiten, maar gek genoeg staan we dit elkaar niet altijd toe. Eén fragment ging over het androgyn ogen en daardoor verwarring oogsten. Tijdens een date komt de ik-figuur kennelijk niet over als een echte vrouw, een “vrouw-vrouw”. De reactie luidt dan: “Maar ik ben gevoelig en houd niet van auto’s.” Want waar hebben we het eigenlijk over? De absurde situaties die in een beschrijvende taal tentoongesteld werden, kregen in de stem van Mariken een wonderlijke nonchalance.

In gesprek met Mariken vroeg Valentijn naar de verwarring die vaak ontstaat in de gesprekken over andere genderidentiteiten dan “man” en “vrouw.” Mariken kwam hier met de treffende reactie dat de binaire verdeling die ter discussie staat steeds verdedigd wordt met een biologisch argument. Het is evolutionair nu eenmaal bedoeld dat man en vrouw samenkomen en zich voortplanten, toch? Mariken vond dit onzin, overal in de natuur bevinden zich grijze gebieden. Bovendien is de ene persoon niet minder biologisch dan de andere. De mens is immers natuur, we staan daar niet los van. Het is inderdaad een arrogante gedachte die gestoeld is op een vooruitgangsmythe dat de mens losstaat van de natuur, of dat de mens er zelfs boven staat. Wij zijn ook een gewicht in de universele weegschaal die nu eens de ene kant en dan weer de andere kant op helt. We hebben het recht niet te denken dat we het beter weten dan de natuur. Dat doen we namelijk niet. We kunnen slechts onze eigen reis maken, en het is niet productief om de reis van een ander te bekritiseren.

Valentijn de Hingh en Jessica Vilerius in gesprek met het publiek. © Tessa de Geus
Mariken Heitman. © Tessa de Geus
Jessica Vilerius en Marvel Harris.
© Tessa de Geus
Gesprekspartner(s)

Valentijn sprak ook zelf over haar identiteit en haar transitie. Haar transitie hebben we een aantal jaren geleden publiekelijk kunnen volgen in de documentaire Valentijn van regisseur Hetty Nietsch. Ze gaf aan dat tijdens haar transitie de optie “non-binair” bleek te bestaan en dat dat het beste bleek te passen. Plots waren hokjes niet interessant meer, sterker nog: het waren begrenzingen. Ze stelde de vraag of we ons een leven kunnen voorstellen zonder de hokjes. Kan een identiteit ook grenzeloos zijn? Het lijkt een simpele vraag, maar het is vandaag de dag een zeer politieke en activistische beweging om simpelweg jezelf te zijn als dat niet overeenkomt met het zogenaamde ideaal. Daar komt bij dat op veel plaatsen je de eerste van je soort bent als je niet dit ideaal uitdraagt. Laat ik mezelf als voorbeeld nemen. Tijdens mijn middelbare schooltijd in Zeeland was ik als jongen die op jongens viel een zebra in een weiland met paarden. Ik was onvrijwillig poster child van de homoseksuelen, met als gevolg dat ik weinig genuanceerde opmerkingen, vragen en kreten op me afgevuurd kreeg. Dat is voor velen een zeer voelbaar en soms zelfs pijnlijk aspect van onze maatschappij. Voor de mensen die dichter bij het eerdergenoemde zogeheten ideaal staan is dit echter een onzichtbaar probleem. Dat is immers kort door de bocht wat privilege inhoudt in dit gesprek: je hebt simpelweg dit probleem niet.

Om verder in te gaan op hoe moeilijk het is om buiten de door ons geconstrueerde hokjes te denken, noem ik een gesprek dat later op de dag plaatsvond met filmmaker Jessica Vilerius (bekend van onder andere haar werk over Marc Dutroux) en fotograaf Marvel Harris. We zagen in een fragment van de film Alles is Nu op welke momenten de transitie zwaar viel voor Marvel, maar ook juist op welke momenten het totaal geen moeite kostte. Ook zagen we zijn ouders en hoe het voor hen was om hun kind dit te zien doormaken. Tijdens het  gesprek dat naar aanleiding van dit fragment gehouden werd, viel het me op dat Jessica zei dat Marvel een transitie doormaakte van vrouw naar man, terwijl in de film Marvel zelf aangaf zich met de term non-binair te identificeren. Dit is voor mij een opmerkelijk moment in het gesprek, omdat, zelfs in de nabijheid en verbondenheid die Jessica en Marvel duidelijk hadden, deze onzorgvuldigheid de boodschap uitzendt dat nuance niet belangrijk is. Dit is precies een belangrijke dynamiek in de dagelijkse bewegingen van veel mensen. Het niet goed willen luisteren naar een naam en hem dus maar verkeerd uitspreken, en het niet begrijpen van een ander en dus die persoon maar ombuigen naar een vorm die wél klopt met jouw wereldbeeld, zijn andere voorbeelden van manieren waarop je je idee van de wereld bewust, maar vaker onbewust, boven die van een ander stelt. Het is belangrijk deze kleine verhoudingen in hiërarchie in denken en doen aan te kaarten omdat die de grotere culturele en sociale ongelijkheid ondersteunen. Let wel: ik bespreek hierbij niet de intentie maar de handeling; dat is een belangrijk onderscheid. Tussen uitzenden en ontvangen van boodschappen kan een semantische fout gemaakt wordt, aan beide kanten. Juist daarvan moeten we ons bewust zijn.

Hoe is het dan voor iemand als Marvel, of iemand als Valentijn, om op deze wijze met een film het privé zo bloot te geven? Er kleeft namelijk voor een deel entertainment aan het vertellen van persoonlijke verhalen. Je presenteert een intieme en innerlijke reis aan het grote publiek, en tot een bepaalde hoogte is het een goed idee om aan mensen te tonen wat je doormaakt tijdens een dergelijke transitie, hoe ver je ook gaat. Je bent zichtbaar voor gelijken, en je informeert de mensen die weinig van jouw situatie af weten. Maar de vragen om informatie willen nog wel eens doorschieten naar een schaamteloos overschrijden van grenzen. Een gulp is immers ontworpen om dicht te blijven tot de drager besluit deze te openen. Waarom worden er dan vragen gesteld over wat er zich achter die gulp bevindt? Op welke wijze geef je blijk van het normaal vinden hoe iemand zich voelt of presenteert aan de wereld? Gaat het om het daadwerkelijk accepteren van de ander? En durf je dan zonder antwoorden te blijven? Of moet de ander zich naar jou schikken? Er zou eigenlijk altijd een vraag vooraf moeten gaan aan de vraag waar je antwoord op wil. “Mag ik dit vragen?” En dan écht luisteren.

Ik vraag me af of we ons niet allemaal schuldig maken aan het normaal vinden van het eigen standpunt, en of dat iets is waar we schuld aan kunnen hebben. We kijken alleen door onze eigen ogen naar de wereld, maar wat doet dit met een gesprek? Op een bepaalde manier gaat het tegenwoordig stukken beter op de vlakken van emancipatie en acceptatie. We bespreken immers veel onderwerpen waar we het niet gek lang geleden nog beslist niet over kónden hebben. We leven echter ook in een tijd waarin absoluut iedereen een stem heeft die gehoord – en gelezen – kan worden door anderen. Hoewel dit als positief gezien kan worden, zijn alle gedachten dus hoorbaar, én gearchiveerd. Als het filter tussen gedachte en formulering dan ook nog dun of zelfs afwezig is, heeft dit niet altijd de beste uitkomsten. Een emotie wordt direct geuit en de woorden worden niet gewogen, om ons en de ander vervolgens te achtervolgen. Volgens mij zit hier ook de kern van de inmiddels gevleugelde uitspraak “Ik mag helemaal niks meer zeggen!”. Wat betekent dit nou werkelijk? Mariken Heitman zei tijdens het symposium dat wij mensen een discours gebruiken en dat vervolgens een realiteit noemen. We benoemen alles en we categoriseren alles, en dat is hoe de wereld in elkaar steekt. Als dat discours vervolgens uitgedaagd wordt door iemand die zich daar door benadeeld voelt, dan klopt de werkelijkheid kennelijk niet meer. Dat is verwarrend, dat snap ik. Maar om een uitspraak van de befaamde Argentijnse familietherapeut Salvador Minuchin iets te parafraseren: “Als je in de war bent, koester dat dan.” Het is vandaag de dag een kunst om toe te geven dat je fout zat, maar je groeit meer en sneller als je dat doet. Door een vraag te stellen, erken je dat iets niet weet en maak je een dappere poging om het gesprek voort te zetten.

Simon(e) van Saarloos en Rahel Barra tijdens hun presentatie Muscle is Feminist Issue. © Tessa de Geus
De fictie van vandaag

Het publieke debat in Nederland heeft al enige tijd verandering als thema. We spreken over het klimaat, maar ook over wat de waarde van een traditie is als die schadelijk blijkt, en over het gelijktrekken van de rechten van mannen en vrouwen op de werkvloer. In de context van dit festival blijkt er veel ruimte voor gesprek over intersectionaliteit: het concept dat mensen discriminatie en onderdrukking ondervinden vanwege een veelheid aan factoren zoals geslacht, huidskleur, genderidentiteit, geaardheid, etniciteit en lichamelijke en geestelijke gesteldheid. En vooral dat discriminatie op basis van een van deze factoren niet los staat van een andere factor. Om dan aan te haken op het bevragen van traditie wil ik graag de presentatie van Ira Kip noemen. Zij toonde tijdens het symposium met actrices Yahaira Gezius en Smita James scènes van de productie Shrew Her, haar bewerking van William Shakespeare’s The Taming of the Shrew. Door met een groep vrouwelijke acteurs met verschillende achtergronden, identiteiten en geaardheden een stuk te spelen dat bekend staat als vrouwonvriendelijk (en dan verwoord ik het voorzichtig), daag je natuurlijk al vanaf het begin het stuk uit. Wat betekenen deze tekst en zijn traditie immers voor deze groep kunstenaars, en voor het publiek? Shrew Her was volgens Ira een onderzoek tussen Shakespeare en de persoonlijke verhalen van de spelers. Door het stuk vandaag en door deze mensen te laten spelen kun je de vraag stellen: klopt wat Shakespeare schrijft wel met onze werkelijkheid? Is dit nog wel oké? Devika Partiman, oprichter van de campagne Stem op een vrouw, reageerde na de presentatie dat het slim en interessant is om de canon te bevragen en uit te dagen. Het is interessant om een zwarte regisseur te laten werken met een alom bekende, zogenaamd ontastbare, tekst. Mooi was dat tijdens het gesprek dat volgde werd gezegd dat we de context van de schrijver niet moeten vergeten. Shakespeare was immers ook maar een arme schrijver die theater maakte vanuit zijn perspectief in een totaal andere tijd. Een fictie staat niet los van de werkelijkheid waaruit ze geboren is. En precies dit idee is leidend in de presentaties van het weekend. Het gesprek leidt tot theater en theater leidt weer tot gesprek.

Tijdens de Research werd het gesprek voortgezet, zo ook bij de presentatie van het duo Simon(e) van Saarloos en Rahel Barra. We stapten een ruimte in en zagen twee performers met vrouwelijk ogende lichamen, beiden blond, ongeveer even lang. Ze voerden hun eigen lijven op in niets dan een sportbroekje, steeds lopend als bodybuilders die niet kunnen stoppen met het aanspannen van elke spier in hun lijven. Ze puften, ze deden push ups, ze smeerden zichzelf in met olie en ze aten rauwe eieren. Een rauw ei is dan een bron van proteïne voor de bodybuilder, tegelijk is het ook een symbool van nieuw leven en van de vruchtbaarheid. Interessant aan deze presentatie is dat twee vrouwelijk ogende performers mannelijke rollen vertolken op een nonchalante manier, waar het theater een millennia-oude traditie heeft van mannen die álle rollen spelen, of het nu wegens redenen van puurheid, religie of ridiculisering is. Donna Chittick toonde daarna in een andere ruimte een deel van haar komende choreografie Together. We zagen vier vrouwen op het toneel die aanvankelijk hypervrouwelijke en sensuele bewegingen maakten, zacht en rond. De bewegingen gingen vervolgens vrij natuurlijk over in voguingen waacking en werden steeds krachtiger en scherper en meer urban, of mannelijker. Ik betrapte mezelf gaandeweg op deze gedachtelijn. Van wie is welke dansvorm? Peggy Olislaegers, dansdramaturg en -activist merkte in een korte reactie op dat bijna alle vormen in urban dans gemaakt zijn voor en door mannen, en dat zelfs de ‘vrouwelijke’ vorm waackingis vormgegeven door gay mannen. Ook K.R.U.M.P., dat staat voor “Kingdom, Radically Uplifted Mighty Praise”, gaat bijvoorbeeld over het vieren van jezelf, het optillen van het mannelijke lichaam. Ze stelde voor dat ook eens onderzocht kan worden hoe het vrouwelijke lichaam deze K.R.U.M.P.- bewegingen maakt, en wat dat betekent. Peggy stelde verder dat het bevragen van de (vorm)taal van de kunstenaar relatief veel vaker voorkomt als urban danstalen worden besproken, dan als andere hedendaagse danstalen worden besproken. Wat zegt dat over de machtsverhoudingen? Waarom wordt zo vaak – vanuit minieme kennis – de vorm ter discussie gesteld? En daarmee de inhoud ontkend?

Thayna Rodriguez in de presentatie van Donna Chittick’s Together. © Tessa de Geus
Wij waren er altijd al

Een tweede ­wake up call kwam toen voor mij in de vorm van een reactie van Simon(e), die na haar eigen presentatie mee liep om te kijken naar de andere presentaties. “Laten we ons minder richten op mannelijkheid en vrouwelijkheid.” Wat doet context met het publiek en het gesprek? In mij is het woord gender bepalend geweest voor het doorlopen van het festival en dus gingen mijn observaties die kant op, maar er waren zoveel meer aspecten die van belang waren voor het werk en de ontvangst ervan. Donna Chittick heeft tot dusver absoluut een ander leven gehad dan ik, en dat is iets wat gevierd mag worden. Verschil is immers een leraar. De ervaring van de ene persoon is daarbij niet de verantwoordelijkheid van de ander; ik kan jou niet vertellen hoe jij je moet voelen of hoe jij je moet gedragen. Dat doe je zelf. Ik merk dat ik in het festival iets zocht, en dat ik nog veel meer dingen vond. De makers toonden hun werk en daarmee zichzelf. En toch was de herkenning die ik opmerkte een verrassing. Waarom? Waarom is het niet logisch voor mij dat de zwarte vrouw die voor me staat behoefte heeft aan dezelfde ruimte als ik, een witte homoseksuele man? Ik realiseer me opnieuw dat mijn ervaringen de hare niet zijn. Waarom spreek ik niet méér met haar? Tijdens het schrijven van deze tekst betrapte ik me er op dat ik steeds bozer werd. Ik had veel van mijn verleden weggestopt, maar was het tegengekomen op het festival. En dat betekende dat ik pagina na pagina boze, bange en verdrietige ervaringen op papier aan het zetten was. Als je nageschreeuwd wordt op straat, als je een deel van je familie niet meer spreekt, als je bedreigd wordt, als je mening weggewuifd wordt, als je verteld wordt dat je je aanstelt; dan loop je soms over. En dit zijn dan slechts dingen die mij zijn overkomen, en echt nog niet alles. Deze zak aan gebeurtenissen die ik met me mee tors, wordt lichter als ik er over kan praten. Want ik ben natuurlijk niet de enige. Het is ook door mijn ervaringen dat ik een probleem heb met het woord tolerantie waar veel Nederlanders trots op lijken te zijn. Het woord tolerant betekent namelijk iets heel anders dan vaak gedacht wordt: men tolereert iets wat men negatief of zelfs verwerpelijk acht.

Tolereren is slechts een maat om aan te geven hoeveel iemand mag afwijken voordat het te veel wordt. In een goed gesprek vertelde iemand me eens dat je de regen kunt tolereren, maar niet een mens. Devika Partiman trekt een vat aan oneliners open als ze voor het publiek staat en zegt (en ook tegen dé man, denk ik zo): “Steun de mensen die er al zijn, maar noem het geen talentontwikkeling. De getalenteerde mensen zijn er al.” Aan dezelfde getalenteerde mensen: “If there is no seat at the table, then there is someone in your seat.” De nonchalance waarmee Devika die uitspraak doet, is een tweede ding waar ik naar zoek, in mezelf en in het gesprek. Dat is dezelfde nonchalance waarmee Mariken droog op een belediging antwoordt dat ze niet van auto’s houdt. De ontspannen manier waarop Simon(e) en Rahel hun lijven inspannen, of de open manier waarop Ira met haar spelers Shakespeare bevraagt, of de glimlach die Valentijn en Marvel opzetten als ze zeggen dat ze geen interesse hebben in het benoemen van hun eigen hokjes. Die nonchalance geeft voor mij ook de groei aan in het festival sinds de vorige editie. Het eerste jaar hing er iets in de lucht tijdens het symposium, een drang om een groots probleem op te lossen. Dit tweede jaar zien we een waaier aan verhalen die overlopen van de glitters enerzijds en houtsnippers anderzijds, soms felgekleurd en dan weer pastel. De meest gestelde vraag lijkt dan ook te zijn of we even willen luisteren naar wat er gezegd wordt. En dat is tof.

Geschreven door Freek Duinhof in opdracht van What You See Festival na de editie van 2019.

Donna Chittick. © Tessa de Geus
%d bloggers liken dit: